Sulawesi 2003

Duikers,

Zo vroegen wij ons af, hadden jullie al gehoord over die heul aparde reis naar Sulawesi dit jaar, waar ook enkele aqua mariniers aan deelnamen?   Nee zeker.

Nou, dat ging zo.

Omdat de reis vorig jaar zo wreed werd afgebroken wegens falende vliegmasjien en ook een bom te Bali, (lijkt wel een titel van een Bob Evers avontuur), waren de deelnemers, en ook zeker wij een beetje de kat uit de boom aan het kijken. Eerst maar eens zien of het allemaal doorgaat. Ik had al tegen Ticky gezegd: als het dít jaar wéér niet doorgaat, dan gaan we gewoon volgend jaar nog es. Maar ziet, alles ging goed, we stonden op 9 oktober op een ongunstig tijdstip op het perron te Haren, en daar waren ook Henk en Hilda, en Roger, en ook het pasje van Roger werkte dit jaar, dus, wil ik maar zeggen, de tekenen waren gunstig. De trein kwam op tijd, en, ach, dit gaat allemaal veel te lang duren, laat ik volstaan met de mededeling dat we op tijd op Schiphol aankwamen, ondanks een kleine ruzie met de dienstdoende conducteur, die bezwaar maakte tegen de plaatsing van de bagage van sommigen onzer, en die daarop ook nog steun kreeg van medepassagiers, (mooi moment voor de man, dat zal-ie in jaren niet hebben meegemaakt) zodat wij te nauwer nood aan een lynchpartij ontkwamen.

Schiphol dus, die prachtige thuishaven van het onlangs aan likkebaardende Fransen verloren luchtvaartmaatschappij, en daar ontmoetten we de rest van het gezelschap. Dit gezelschap bestond dit jaar uit 13 personen, in willekeurige volgorde: Henk H, Hilda H, Roger A, Geert Y, Peter R, Ticky O, en mijzelve van Aqua Marine, en daarnaast Fred Krisen, Dick de Jonge (beide van de Otter), zijn broer Harrie de Jonge, Jan van Duinen (ooit nog onze welwillende inval twee sters instructeur), Martha Hazenberg en niet te vergeten de niet onvergetelijke Karel Telman, een duikbroeder uit het westen.

Zonder verdere problemen dus te boord, en toen 12 uurtjes slechts vliegen naar Kuala Lumpur. Beetje zitten, lopen, biertje, filmpje, pinda’s, hapje, eten, spelletje, kortom, voor mij is zo’n vliegreis gewoon hetzelfde als een zondagmiddag thuis. Te Kuala Lumpur moesten we toch weer een uur of twee wegtikken, gelukkig ging de koffiewinkel open, zodat aldaar een kopje of twee tegen prijzen die de euro-overgang tot een klein incidentje maken.

We vliegen verder naar KOTA KINABALU, op voormalig Borneo, en dat duurt weer zo’n twee uur. Weer even de benen strekken, al wat het alleen maar om de inderhaast naarbinnengewerkte warme hap uit de spieren te houden. We stijgen weer op, en dan is het nog ongeveer twee uur naar Manado. Reizen is niet moeilijk, je moet gewoon wachten, en dan verschijnt ook Manado vanzelf. Als we landen regent het er. We komen erachter dat de temperatuur in Sulawesi niet afhankelijk is van: weer, dag of nacht, boven of onder water. Het is er gewoon altijd en overal 30 graden Celsius. Dat is even wennen, maar na plusminus elf dagen is dat gewenningsprobleem voorbij. We nemen ons voor in het hotel gelijk even te gaan zwemmen. We krijgen de nodige stempels in het paspoort gestanst, en we ontmoeten de organisateur locale: ene Ron. Ron is OK, zal ik maar zeggen, en we zitten al snel in kleine Suzuki busjes die ons door Manado vervoeren. Even langs de pinautomaat voor 10 cm bankbiljetten, en hop naar het hotel. Wat gelijk opvalt: heule vriendelijke mensuh overal, echt. In het hotel krijgen we een sapje, en een kamer, en we sleuren de tassen ernaartoe.

Les 1: Dank u wel = terima kassi

Onze inschatting van het hotel, qua zwembad en zo, blijkt wat te ruim. Niks niet zwembad en zo, maar wel bed, douche, door te trekken wc en een èrkootje. Later zullen we naar deze kamers terugkeren, en ze beschouwen als door God geschonken luxe, maar, zoals dat vaak gaat in het leven he, op dat moment denken we: "mwoah". Als ik ga douchen zoek ik geschrokken naar een afvoerputje (t en ik zijn met een douche verbouwing bezig, vandaar). Die afvoer blijkt te bestaan uit een gaatje in de hoek van de ruimte, die dan weer toegang geeft tot een gootje, die dan weer ons water over de akkeren achter het gebouw laat vloeien. U ziet, hier gaat geen water verloren. Het uitzicht is overigens schitterend, we zien de celebes-zee en de eilanden Bunaken en Manado Tua, met de karakteristieke vulkaan.

De meest reiswijzen onder ons drukken ons op het hart: ga nou niet gelijk slapen, vanwege de jetlag krijg je dan enorme problemen. Wij zijn ook niet gek natuurlijk, en ook wel eens buiten de deur geweest, dus we gaan onmiddellijk te bed. Tegen de avond maken we ons op om met de ander gapende gasten te gaan eten. We eten zoals je dat verwacht in Indonesië, rijst, en saté, sayur lodeh, ajang und babi. Veel hebben we daarna niet meer te melden, we gaan al snel te bed.

De volgende ochtend staan we redelijk fris op. We ontbijten, en kunnen zo de weg oversteken, waar een bootje klaar ligt om ons naar het eiland Bunaken te vervoeren. De tocht duurt zo’n anderhalf a twee uur, het weer is schitterend, en een gevoel van welbehagen is niet langer uit te stellen: Heerlijk. Op het eiland aangekomen krijgen we een soort uitleg over de plannen, en de kamers worden ingedeeld. Het ‘resort’ bestaat uit een aantal houten huisjes op palen, uitgerust met een gat in de grond voor de behoeftige mensch, en een tweetal vaten water met een mandi, een soort plastic steelpannetje waar eventuele reinigingen mee kunnen worden voltrokken. Wegens een planningsprobleempje is de beherende familie van plan te evacueren ten behoeve van ons gezelschap. Dit gaat Jan en Martha wat ver, wij zijn behalve klanten natuurlijk ook te gast, en zo komt het dat wij ,althans de eerste dagen , gaan samenwonen met hun, en ook Henk en Hilda. De toegang tot voornoemde was- en plasplaats ging echter via onze slaapkamer, en de discretie verbiedt het mij bijna, maar satire mag weer nietwaar, om te verhalen hoe ik er veel genoegen in schepte de nachtelijke plassenden de stuipen op het lijf te jagen door als zij meenden onopgemerkt langs ons bed geslopen te zijn vanonder de klamboe te brullen : "JA, WAT DOET U DAAR", of, "HEEFT U WEL DOORGETROKKEN?". Zo heeft ieder zijn kleine onschuldige hobby’s. Toen de stelletjes na een paar dagen op zichzelf gingen wonen, miste ik ze verdomd ook nog.

Kijk nou toch, al pagina’s volgeluld, en nog geen ene keer gedoken. Toch wel, de dag van aankomst op Bunaken hebben we twee duiken gemaakt. Het zal je niet verbazen: het was prachtig, Veel visjes en dingen die we in de rode zee ook wel zagen, maar ook andere dingen, en veel onbekends. Zo zagen we enorm veel zakpijp-achtige dingen, maar dan fel geel en paars gekleurd. De dagen erna, we zijn zeven dagen op Bunaken gebleven, maakten we telkens twee duiken per dag, en ook nog een nachtduik. Eerst op de stekken rond Bunaken, (en de andere eilanden, oa Siladen), maar later ook bij de Bangka-eilanden. Een greep uit de waarnemingen: vreselijk veel koralen, zeeslangen, schildpadden, napoleons, haaien, blue spotted stingrays, pilot whales, dolfijnen, spookmurenen, andere murenen, minizeepaardjes, horsmakrelen, een kokosnootkraker (tijdens de nachtduik).

En dan ’s middags en ’s avonds eten: vooral rijst, vis en ananas. Op een van deze dagen is het eind gekomen aan het leven van een eiland’s varken. Het beest is vervolgens langdurig geroosterd op een staak, en het is aan de anatomische kennis van Jan van Duinen te danken dat het karkas werd ontleed in karbonaadjes, haasjes en wat verder in slagershandboeken staat. Zoals gewoonlijk tijdens duikvakantie trad de vermoeidheid ’s avonds al snel in, en echt laat is het dan ook nooit geworden. De tocht naar de Bangka-eilanden was ook schoon. We lunchten er op een bounty eiland, en bezochten ook nog een luxe resort, voor de lol zal ik maar zeggen. We werden er verwelkomd door een wat vadsige Italiaan, een soort don, en die verzocht ons wel vriendelijk even een T-shirtje aan te trekken. Helaas waren er geen voorschriften voor schoeisel, zodat enigen onzer even later lustig stonden te lekken op zijn prachtige hardhouten dansvloer, terwijl wij een aangeboden drankje nuttigden. Kost dat nou, zo’n resort, of rustóórd? Zeg maar 100 dollaren per nacht. Nou ja, het ging ons toch meer om het duiken. Op Bunaken moest nog even stevig onderhandeld worden over een partij T-shirts met opschrift, en over verdere te ondernemen tochten. Harrie de Jonge bleek een echte Harrie (Bouma was ook altijd zo’n goede onderhandelaar) en sleepte er flinke kortingen uit. Dat de daarna gegeven fooi een veelvoud was van de laatst afgedongen roepia’s bleef voor de verkopers een raadsel, maar wij waren in elk geval allen weer in het nieuw gestoken, want je zweet heel wat T-shirtjes vol als belanda zijnde.

Les 2: Belanda = Hollander

Hoewel we dus aanvankelijk slechts vijf duikdagen op Bunaken zouden blijven, hebben we er twee bijgekocht. De zevende dag zouden we onderweg naar de wal nog een wrakduikje maken, en daarna vanuit het Kolongan hotel (het hotel waar we na aankomst te Manado ook al overnachtten) nog een duik. Aldus geschiedde. Terug in het hotel genoten we van de ongekende luxe: Een douche! Doortrekken na de boodschap! Airco! Por Dios, hoeveel luxe kan een mensch verdragen.

Vier reisgenoten, waaronder ikzelf, hadden door het duiken of de grote snelheid van onze boot last gekregen van pijnlijke oren. Verstandig als we waren besloten we naar een dokter te gaan. Vlakbij het hotel was een luxe woning met bordje: "Dokter". Kan niet missen. De wachtkamer was buiten, en wij waren de enige patiënten. Je moet dan argwaan krijgen, maar wij niet hoor. De eerste patiënt werd binnengelaten. Wij kijken nog snel even de gang in, er staan kratten bier, dat kan geen slechte dokter wezen. De medicus heeft zich fluks als zodanig vermomd met een kort slagersjasje, en betreedt de praktijkruimte: een soort peeskamertje met zelfgebouwde behandeltafel. (mooi stukje geschaafd vuren) Nadat Ron de klachten heeft uiteengezet, haalt de geneesheer een plastic lampje tevoorschijn, model ‘vijf gulden-bak bij het benzine station", waarvan de batterijen helaas aan het einde van hun aardse leven zijn gekomen. Aldus flikkert hij op niet erg geroutineerde wijze in de gehoorgang van de eerste patiënt. Na een minuutje of zo vindt Ron het voldoende: "Kom, deze gast weet helemaal niks", en we nemen een busje naar de stad. Daar is een grote apotheek, met erachter een gang waaraan verschillende praktijken zijn gevestigd. Ron, onze steun en toeverlaat, overlegt met de apotheker, en daarna met een officiële dame, en we worden uitgenodigd een bordje met een nummer van een spijker in de deur te halen. En o ja, de dokter heeft pas over een uurtje of anderhalf tijd. Geen nood, Ron weer een aanvaardbare tapperij, en dra zitten wij aan het bier te wachten op saté. Nadat het uurtje verstreken is, is er nog geen satés, maar wel hebben we de andere reisgenoten inmiddels gebeld, zodat we gezamenlijk kunnen eten. Terug naar de gang der specialisten, en we worden weer vriendelijk te woord gestaan. Na nog zo’n vijf minuten wachten, schiet het de assistente in enen te binnen: de dokter is er helegaar niet. Wel van wajang tot klewang! Nou zal die helemaal mooi wezen! Ron terug naar de apotheker. Die biedt geschrokken aan ons met een busje naar de andere kant van de stad te rijden. Wij hebben inmiddels van het bier geproefd, en de saté lokt nog steeds, dus we bedanken vriendelijk, en schrijven onszelf maar recepten voor: Doe maar oordruppels met antibiotica en pijnstillers, dan redden we ons wel. We krijgen het tegen betaling van een gering bedrag. Op het doosje oordruppels prijkt de waarschuwende tekst: Alleen op doktersvoorschrift, maar hoewel we last van de oren hebben, kniesoren zijn we niet, en we verlaten in goed vertrouwen het welzijnspand.

Noot 1: later in Nederland was mijn huisarts helemaal niet ontevreden met de medicijnkeuze, zou zij ook voorgeschreven hebben, zei ze. Zie je wel, zo moeilijk is het helemaal niet.

Volgende keer gaan we ook zelf opereren.

Noot 2: De gezondheidszorg is overigens wel goed in Manado, je moet echter in het ziekenhuis wezen, zoals enkele reisgenoten de volgende dag deden. Dat kan alleen in de ochtend, maar daar is de behandeling gewoon goed, en ook nog eens heel goedkoop.

Noot 3: Nootmuskaat, maar daarover straks.

Gelukkig waren de duikdagen nog niet voorbij: we gingen nog een dag duiken in de straat van Lembeh. Aan de noodwestkant van Noord Sulawesi ligt een langgerekt eiland vlak voor de kust, en het tussenliggende water vormt dan de straat van Lembeh. Een wereldberoemd duikgebied, en dan niet vanwege de mooie koralen, maar vooral vanwege de zeldzame vissen die er voorkomen.

Om er te komen werden we eerst in busjes naar Bitung vervoerd. Bitung bleek een hele drukke havenplaats. We crosten met het busje een marktplaats over die zo druk was, dat ik mijn elleboog angstvallig binnenboord trok om geen voorbijgangers met een nekklap uit te schakelen. Achter de voorruit van de busjes hing een A-viertje: "Rombongan Hendriks", hetgeen zoveel betekent als: "Gezelschap Hendriks". Dit bleek heel praktisch, want toen Henk even uitstapte om wat te filmen, riep een onbekende voorbijganger van enige afstand: "Heeey, Mister Hendriks, How are you?" Wíj wisten dat natuurlijk al langer, iedereen kent Henk. Ron, de organisator was ook meegekomen, en dirigeerde ons wat nerveus in de boten, opdat wij maar zo snel mogelijk de haven zouden uitvaren. Het was hem wat te druk en onoverzichtelijk. We voeren weg, vriendelijk wuivend naar de grijnzende gezichten.

Na een eerste wrakduik op een schip dat in de tweede wereldoorlog gezonken is, kwamen we op een wonderlijke duikstek aan. Het was er niet diep, het stroomde er niet of nauwelijks, en de bodem bestond voornamelijk uit asfaltgrijs lavazand. Er zwommen echter de wonderlijkste vissen rond. De over het algemeen toch vrij zeldzame hengelaarvissen (in het engels: Frogfish genoemd) zijn daar dus helemaal niet zeldzaam. Ook zagen we er zeepaardjes van ongeveer 15 cm, en een dappere garnaal die grote duikers onverschrokken aanviel en zich daarna schielijk in zijn hol terugtrok. Verder kwamen er regelmatig vissen voorbij waarvan ook de meer ervaren viskenners de naam niet wisten. Een rare gewaarwording, dat spookachtige landschap met die sprookjesachtige bewoners. Een bijzondere laatste duik in Indonesië. We voeren terug naar Bitung, en kwamen ’s avonds weer aan in Manado. Die avond gingen we de stad in, om er boodschappen te doen, en te eten. De man omgerekend 10 eurocent, en je kunt met het busje mee. Satisfaction guaranteed, de muziek is echter afwachten. We kochten wat spullen, cadeaus’s en prullaria en gingen daarna eten in een restaurant. Het is maar het beste niet te veel te zeggen over deze episode, behalve dat het vermoedelijk wel weer even zal duren voordat belanda’s in dit restaurant mogen eten.

Les 3: Apa Kabar = Hoe gaat het?

’s Anderendaags was het de veelgevreesde ‘niet duiken dag’ . Wij gingen die doorbrengen in het nationaal park Tangkoko. Even tussendoor, het eiland Sulawesi heeft een hele bijzondere vorm. Men zegt dat de helft van het eiland bij Indonesië hoort, en de andere helft eigenlijk bij Australië. Deze theorie wordt ondersteund door de bijzondere dieren die er leven. In het Tankoko park leven dieren die nergens anders op aarde voorkomen: zwarte makaken (een aapsoort), de kleinste aap ter wereld: de tarsius, de rednosed hornbill, een soort van der valk vogel en de couscous, een soort trage boomkangaroe, ja, je krijgt het niet verzonnen. Het zal de lezer niet verbazen dat we al deze dieren ook hebben gezien: De apen van dichtbij, de tarsius (een nachtdier) pas nadat we het diertje met flitslicht uit zijn beschermende holle boomstam hadden gejaagd, zodat het geheel gedesoriënteerd lasblind aan de buitenkant van de stam hing, de toekan voor zover het zijn gepluimde kont betreft, en de couscous omdat de gids dat zei. Verder: prachtige tocht, ook nog langs een okra plantage (kokosnoot), een goudmijn (beslist geen goudmijn), een nootmuskaatgaard, een begraafplaats met bovengrondse sarcofagen (waruga’s) , doodmoe kortom struikelden we het hotel weer binnen, Ticky niet in de laatste plaats omdat ze in de jungle een zweepslag in haar kuit had opgelopen. We aten maar gewoon in het hotel. De volgende dag was het inpakken, de spullen waren min of meer onder de douche schoongespoeld, en tegen de middag begonnen we de lange reis terug. Wat valt daar nog over te vertellen? Ongeveer wat we na vele, vele uren in Utrecht vanuit de trein op een muur lazen: "Hoe verder hij ging, des te langer was de terugreis", of woorden van gelijke strekking. Het was een prachtige reis, en dat was het.

 

Freek